Een van de grootste hindernissen om het publiek de opwarming van de aarde serieus te laten nemen in de dertig jaar sinds dit onderwerp op de internationale agenda is gekomen, is de voorzichtige taal die de wetenschappers altijd gebruikten. Ze wilden er niet van beschuldigd worden te overdrijven, dus spraken ze altijd over het meest waarschijnlijke geval in plaats van het ergste geval. Slimme mensen kunnen behoorlijk dom zijn.

Als je uitgaat van het meest waarschijnlijke geval, zou je nooit een brandverzekering voor je huis afsluiten. Het is immers zeer onwaarschijnlijk dat het afbrandt, dus waarom zou je je geld niet besparen? Behalve, natuurlijk, dat je onmiddellijk dakloos bent als het ergste geval zich werkelijk voordoet, en je misschien nooit meer een ander huis kunt kopen.

"Bij onzekerheid wil je je altijd richten op het slechtste scenario," zegt Luke Kemp, een Australische onderzoeker aan het Centre for the Study of Existential Risk aan de Universiteit van Cambridge. "Dat hebben we tot nu toe nog niet gedaan. Ik zou zeggen dat we ons niet eens richten op het meest waarschijnlijke scenario. We gaan eigenlijk uit van het 'minst dramatische'.

"Door de consensusbesluitvormingsprocedures van het IPCC en door de druk die door de twijfelaars op klimaatwetenschappers wordt uitgeoefend, gaan we eigenlijk altijd uit van de onderkant van het spectrum en vermijden we extreme klimaatveranderingen. Daarom hebben ik en enkele collega's de IPCC-rapporten doorgespit en gekeken naar de verwijzingen naar verschillende temperatuurscenario's.

"Wanneer je kijkt naar een middenwegscenario voor het einde van de eeuw, is er een kans van 75% op 700 deeltjes per miljoen kooldioxide in de atmosfeer, dus een opwarming van meer dan drie graden Celsius. Maar minder dan 10% van de temperaturen die in de IPCC-rapporten worden genoemd, zijn drie graden en hoger. Bijna al onze aandacht gaat uit naar 1,5°C en 2°C, wat ongelooflijk onwaarschijnlijk lijkt.

"In wezen weten we dus het minst over de scenario's die er het meest toe doen.

Het rapport van werkgroep één van het IPCC, dat handelt over de natuurwetenschappelijke realiteit van klimaatverandering en is gepubliceerd ter voorbereiding op de grote klimaattop in Glasgow (COP-26) in november, is beslist een verbetering ten opzichte van zijn voorgangers: duidelijker taalgebruik en minder wazige taal.

De grootste verbetering is het gebruik van wat zij "gekalibreerd taalgebruik" noemen. Elke uitspraak krijgt een mate van betrouwbaarheid die wordt uitgedrukt door vijf "kwalificeerders" - zeer laag, laag, gemiddeld, hoog en zeer hoog - en elke voorspelling heeft een specifieke statistische betekenis.

Zo betekent vrijwel zeker 99-100% waarschijnlijkheid, terwijl zeer waarschijnlijk 90-100% waarschijnlijkheid betekent. Meer waarschijnlijk dan niet betekent tussen 50% en 100% waarschijnlijkheid, en zeer onwaarschijnlijk is tussen 0-5% waarschijnlijkheid. Dit systeem dwingt de auteurs van het rapport om te gaan met het feit dat bijna niets in de klimaatwetenschap hard en snel is - en hoe kan het ook anders?

Alle klimaatwetenschappers moeten een zeer steile leercurve beklimmen, want dertig jaar geleden bestond het vakgebied nog nauwelijks. We kennen geen systeem dat complexer is dan het 'aardsysteem', en bijna elke week komen er nieuwe ontdekkingen en nieuwe inzichten. Maar uit dit laatste rapport blijkt dat men het onderwerp nu eindelijk echt onder de knie heeft.

Dat betekent niet dat COP-26 ons eindelijk op een koers zal zetten die naar een veilige toekomst leidt. Een echt veilige toekomst is niet eens meer mogelijk, en het is moeilijk te geloven dat de regeringen waaraan de wetenschappers in Glasgow verslag uitbrengen zelfs nu bereid zijn om noodmaatregelen te nemen. Luke Kemp denkt het ook niet.

"Er zijn verschillende theorieën over verandering. Een daarvan is rechtstreeks praten met politici en beleidsmakers, en dat heb ik heel vaak geprobeerd. Mijn proefschrift heette 'US-Proofing the Paris Climate Agreement', en ik heb veel tijd besteed aan pogingen om beleidsmakers zover te krijgen dat ze deze kwestie serieus namen. Zoals je waarschijnlijk verwacht, luisterden maar weinig mensen.

"De reden waarom we niet handelen is niet de technologie of een gebrek aan publieke wil; het is de politieke economie. Het komt door de fossiele brandstoffen lobby. Het komt door politici die onder controle staan van de industrie. We moeten dus een reactie van het publiek op gang brengen, waardoor niet alleen het beleid, maar ook de samenleving in het algemeen ingrijpend verandert.

"We hebben burgerlijke ongehoorzaamheid, protest en afwijkende meningen nodig. Dat is hoe de beste veranderingen van de wereld eerder zijn gebeurd."

Hij heeft waarschijnlijk gelijk.