Het fundamentele falen van de Partij is dat zij, na zeventig jaar absolute macht, een samenleving heeft geschapen die ongeveer even ongelijk is als die van de Verenigde Staten. Gelijkheid was het doel dat zogenaamd alle moorden en onderdrukking rechtvaardigde, maar gelijkheid is verder weg dan ooit.

Het inkomen per hoofd van de bevolking is in China nog steeds veel lager dan in de VS, omdat het land zich pas ongeveer veertig jaar geleden snel begon te ontwikkelen (wat de persoonlijke levensstandaard betreft, waren de eerste drie decennia van de communistische heerschappij volledig verspild). Maar sedertdien is de kloof tussen de rijken en de rest onverbiddelijk breder geworden tot zij thans de Amerikaanse norm benadert.

Het maakt niet uit welke maatstaf je gebruikt. Ga je uit van de Gini-coëfficiënt, een wiskundig model van de ongelijkheid in een samenleving, dan scoren de Verenigde Staten 47 terwijl China 46,5 krijgt. (Hoger betekent ongelijker: de meeste ontwikkelde landen scoren in de lage tot midden 30). Maar harde cijfers zijn op de een of andere manier overtuigender, en zij vertellen hetzelfde verhaal.

Als je de inkomens van de top 20% van de Amerikaanse bevolking vergelijkt met die van de laagste 20% van de Amerikaanse inkomens, verdient het rijkste vijfde deel 9,4 keer meer dan het armste vijfde deel. In China verdient het bovenste vijfde deel 10,2 keer zoveel als het onderste vijfde deel.

Als we dieper graven en de inkomens van de top 10% vergelijken met die van de onderste 10%, dan zijn de inkomensverschillen nog dramatischer. Het rijkste tiende deel van de Chinezen krijgt 21,5 keer meer geld dan het armste tiende deel. In de Verenigde Staten is dat 18,5 keer meer.

Amerikanen zijn gewend aan deze verschillen en kunnen zich troosten met de mythe van 'gelijke kansen' (als je niet rijk bent, is dat je eigen schuld. Je doet niet hard genoeg je best). Chinese mensen zijn nieuw in deze situatie, en de officiële ideologie zegt nog steeds dat mensen gelijk moeten zijn. Dat is het doel dat zogenaamd de eeuwige dictatuur van de Partij rechtvaardigt.

De groteske ongelijkheid is dus gênant voor de Partij, en potentieel heel gevaarlijk. In de tijd dat de Chinese economie met 8-10% per jaar groeide kon dit worden genegeerd - een opkomend tij brengt alle schepen omhoog, zelfs de armsten - maar het tijdperk van de snelle groei is voorbij. Vroeg of laat zullen de verliezers in de race beseffen dat ze definitief hebben verloren.

Afgelopen mei onthulde Premier Li Keqiang dat 600 miljoen Chinese burgers (ongeveer 40% van de bevolking) $5 per dag of minder verdienen. Dit geeft geen goede uitstraling in een land dat meer miljardairs (1.058) telt dan de Verenigde Staten, en de partijleiding is niet dom. Er moet iets worden gedaan.

Daarom heeft president Xi Jinping het over een nieuw beleid van "gemeenschappelijke welvaart", terwijl hij ook strengere censuur en andere sociale controles oplegt. Het idee is om problemen te voorkomen door de grofste ongelijkheden weg te werken en de hoogstvliegende miljardairs een beetje nederigheid bij te brengen: laat de economie niet vastlopen, maar verdeel de rijkdom een beetje.

De partij wist dat deze dag zou komen toen zij veertig jaar geleden voor het eerst de communistische idealen overboord gooide om te ontsnappen aan drie decennia van geen groei. "Laat eerst maar eens wat mensen rijk worden", zei Deng Xiaoping, en koos voor de kapitalistische weg. Dat werkte ook, maar het bracht de gebruikelijke kapitalistische ongelijkheid met zich mee.

Nu is China rijk genoeg om de rijkdom te gaan spreiden, maar het is niet duidelijk of de soort communisten die het nu voor het zeggen hebben, dat ook zullen kunnen doen.

Het is niet onmogelijk. Rijke kapitalistische democratieën zoals Frankrijk, Duitsland, Canada en Japan slagen erin de inkomenskloof tussen de rijken en de rest slechts half zo groot te maken als de VS en China. Maar de allergrootste ontwikkelde landen, China en de VS, lijken het niet voor elkaar te krijgen. Misschien is het gewoon een kwestie van grootte.

De inkomensverschillen in de Verenigde Staten worden nu al vijfenveertig jaar groter, met ernstige sociale gevolgen, maar het feit dat de VS democratisch zijn, stelt hen niet in staat daar beter mee om te gaan. In plaats daarvan is de Amerikaanse politie omgevormd tot een gemilitariseerde macht die de sociale gevolgen van de ongelijkheid in wezen met geweld bestrijdt.

In 1970 zaten er 200.000 mensen in Amerikaanse gevangenissen; nu zijn dat er 2,3 miljoen. Meer dan een kwart van de volwassen Amerikanen (77 miljoen) heeft een strafblad. Hoe groot is de kans dat de ouder wordende autocraten die China regeren het beter zullen doen?