Uit het onderzoek, uitgevoerd door het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek, blijkt dat de bevolking van de Europese Unie (EU) momenteel met 450,6 miljoen mensen bijna haar hoogtepunt heeft bereikt; naar verwachting zal deze in 2050 rond de 445 miljoen liggen en in 2100 rond de 398,8 miljoen, wat neerkomt op een totale daling van ongeveer 11,7 %, waardoor de bevolking weer op een niveau komt dat vergelijkbaar is met dat van de jaren zeventig.

In het rapport wordt vermeld dat de bevolking van de EU tussen 1960 en 2025 met ongeveer 96 miljoen is toegenomen (van 354,5 miljoen tot 450,6 miljoen).

Tussen 2005 en 2024 is het tempo van de bevolkingsgroei afgenomen tot 0,89 miljoen per jaar, vergeleken met 3,03 miljoen per jaar in de jaren zestig, en zal naar verwachting beginnen af te nemen na een piek van 453,3 miljoen in 2029.

Tegelijkertijd leven Europeanen langer dan ooit: de levensverwachting bij de geboorte zal in 2024 81,5 jaar bedragen, wat een weerspiegeling is van de vooruitgang op het gebied van gezondheidszorg, levensstandaard en sociale omstandigheden.

Tegen 2050 zal bijna een op de drie EU-inwoners 65 jaar of ouder zijn, vergeleken met een op de vijf vandaag, terwijl de levensverwachting tegen 2100 voor vrouwen meer dan 90 jaar en voor mannen meer dan 86 jaar zou kunnen bedragen.

Een kind dat in 2023 in de EU wordt geboren, kan naar verwachting tot de leeftijd van 75,3 jaar een leven zonder ernstige ziekte leiden, zo blijkt uit de demografische studie.

Uit de studie blijkt verder dat het jaarlijkse aantal geboorten in de EU de afgelopen 60 jaar met bijna de helft is gedaald, na een piek in de vruchtbaarheid van 6,8 miljoen levendgeborenen in 1964.

In 2024 werden er in de EU slechts 3,55 miljoen kinderen geboren, het laagste cijfer in de gepresenteerde gegevens.

Het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek verwacht dat demografische veranderingen gevolgen zullen hebben voor de gezondheid en voorspelt dat tegen 2038 het aantal inwoners van 65 jaar en ouder groter zal zijn dan dat van de 20- tot 40-jarigen.

Dit zal ook gevolgen hebben voor de arbeidsmarkt – met name doordat de toegang voor jongeren wordt bemoeilijkt – en voor de sociale zekerheid (met name de houdbaarheid van de pensioenstelsels), het onderwijs en de huisvesting.