De verdediging van de Chega-leider stelt dat de beslissing in eerste aanleg de vrijheid van politieke meningsuiting schendt en betwist de dagelijkse boete van 2500 euro per poster, die zij buitensporig vindt.

In het hoger beroep wordt ook geprobeerd om het verbod op het plaatsen van soortgelijke berichten in de toekomst op te heffen, met het argument dat de inhoud van de posters geen onrechtmatige inbreuk op de persoonlijkheid vormt, maar eerder een subjectieve interpretatie van de feiten door de rechtbank weerspiegelt.

De verdediging van de vertegenwoordigers van de Roma-gemeenschap, onder leiding van Ricardo Sá Fernandes, betwist daarentegen het beroep en benadrukt dat de opgelegde maatregelen al volledig door de politicus zijn nageleefd.

De advocaten van de aanklagers voeren aan dat de sancties onevenredig zijn en dat het uitoefenen van de vrijheid van meningsuiting geen schending van de menselijke waardigheid mag inhouden of etnische discriminatie mag bevorderen.

De aanklager beroept zich op jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en benadrukt dat uitspraken die negatief gedrag toeschrijven aan een hele etnische groep minder juridische bescherming genieten.